Bastaarden in de ban?

 

Geurt van Rennes is wat we hier noemen ‘een toffe pee’. Objectief één van de pioniers van onze Vlaamse/Belgische wijnbouw, initiaitefnemer van het domein Genoels-Elderen - dat zijn vader en zus mee runnen -  wat ongetwijfeld het mooiste én voorlopig enige ‘château’ is in ons land. En tegelijk als Nederlander (sorry: Limburger?) een schoolvoorbeeld van perfecte integratie. Bovendien een man zonder kapsones of dikkenek, ondanks zijn eruditie en expertise.

Wanneer hij over ‘ons’ praat, heeft hij het niet over zijn Nederlandse roots, maar over de wijnbouwers in het Heuvelland, Hageland, Haspengouw of iedereen die probeert hier het binnenlandse kwaliteitsniveau op te tillen. Als voorzitter van BeNeVit, het kenniscentrum voor het wijnbeleid in de Lage Landen, als docent, gerechtsdekundige of adviseur, bezit hij nog een andere grote, misschien wel zijn grootste, troef: hij neemt geen (druiven)blad voor zijn mond. Wat hem natuurlijk niet altijd in dank wordt afgenomen. Maar precies dàt boeit ons.

Eén van zijn recente stokpaardjes is: hybride druivenrassen.

Wie er de klassieke wijnliteratuur op naslaat, leest gegarandeerd dat kwaliteitswijn alleen mogelijk is via de vitis vinifera, de ‘edele’ grootmoeder van de op papier ‘beste’, ook commercieel best lopende, druivenvariëteiten. Maar is dat zo? Moeten we de de hybride mengsoorten en kruisingen, zeg maar de bastaarden, radicaal – en vooral: legaal – buitenspel zetten als wijnland-in-de-dop? Hebben ze ook hun commerciële en praktische voordelen, of ondergraven ze uiteindelijk toch de merkwaarde van onze eigen appellaties?  

Hieronder de ongezouten mening van Geurt. Zonder enige vorm van censuur of commentaar. Dat laatste verwachten we wel van u…

Voilà, we laten Geurt los:

 

Wat is er mis met hybriden?

 

Men kan natuurlijk polariseren en de wijnwereld verdelen in voorstanders en tegenstanders, maar de waarheid ligt zoals gewoonlijker ergens tussenin.

Toen aan het einde van de negentiende eeuw de Europese wijnbouw ten onder dreigde te gaan doordat onze wijngaarden door de uit Amerika overgekomen druifluis werden vernietigd, ging men op zoek naar een manier om onze wijnbouw te redden. Door de nieuwe inzichten in de erfelijkheid, het boek van Charles Darwin ‘On the origine of species’ was nog maar juist verschenen, ging men Amerikaanse wilde druiven met onze Europese wijndruiven kruisen in de hoop dat de zo verkregen hybriden de resistentie tegen de druifluis van de Amerikaanse wilde druif en de wijnkwaliteit van de Europese wijndruif (Vitis vinifera) zouden erven.

Nadat kruisingen tussen Amerikaanse druiven en onze ‘nobele’ variëteiten mislukten ging men het met de minder kwaliteitsvolle wijndruiven proberen. Men slaagde er in om druiven te kweken die daadwerkelijk tegen de druifluis bestand waren en waar men wijn van kon maken. Een dokter uit de Ardeche die zelf ook een wijngaard bezat, dr. Albert Seibel, ontwikkelde enkele duizenden van zulke hybriden die als aanduiding de naam van dr. Seibel met een nummer kregen.  Zij betekende de redding van de wijnbouw. Dus wie kan er tegen hybriden zijn?

Meer minpunten

Er was echter een groot nadeel aan deze hybriden. Hoewel de druiven goed van smaak waren, had de wijn die er van gemaakt werd een onaangenaam aroma dat men ‘foxy’ noemt en volgens velen een associatie met mottenballen oproept.  Hoewel er duizenden pogingen werden ondernomen, slaagde men er niet in een hybride te ontwikkelen waarvan men een goede wijn kon maken.

Gelukkig werd een oplossing voor het druifluisprobleem gevonden in het enten van onze klassieke kwaliteits-wijndruiven op hybride-onderstammen. De hybride onderstam zorgde voor een ondergronds druifluisresistent wortelgestel terwijl bovengronds de ent van onze klassieke wijndruiven onze oude wijnkwaliteit kon voortbrengen.

Frankrijk, waar de hybriden inmiddels alom waren aangeplant, vaardigde een verbod uit om nog langer hybriden voor de wijnbouw aan te planten. Duitsland, waar de druifluis pas veel later arriveerde, schakelde onmiddellijk van wortelechte wijndruiven over op deze welke op hybride-onderstammen werden geënt. Duitsland heeft nooit ervaren welke voor de wijnkwaliteit desastreuze gevolgen het massaal aanplanten van hybriden zou hebben. Hierin ligt de verklaring waarom Duitsland blijft geloven in het ontwikkelen van hybriden voor de wijnbouw.

Helaas was uit Amerika na de druifluis ook de meeldauw en valse meeldauw naar Europa gekomen. Deze schimmels waaiden letterlijk in een mum van tijd over de Europese wijngaarden en konden enkel onder controle worden gehouden door het alle tien dagen te spuiten met zwavel en Bordeauxse pap, een mengsel van gebluste kalk en koperoxide.

Inmiddels zijn er een hele reeks chemische middelen ontwikkeld die zeer succesvol in de strijd tegen deze schimmels kunnen worden ingezet, en jaarlijks komen nieuwe biologische sproeistoffen op de markt. Door de toenemende weerstand tegen het gebruik van sproeistoffen ging men opnieuw proberen de erfelijke weerstand van de Amerikaanse druiven tegen, deze eveneens van oorsprong Amerikaanse, schimmels in wijndruiven te krijgen door de Seibel-hybriden met onze wijndruiven te kruisen.

Na elke nieuwe generatie werd er geselecteerd op resistentie en wijnkwaliteit. Naarmate het aandeel Amerikaanse druif in de stamboom afnam werd de wijn die men van deze druiven kon maken beter, maar helaas nam met de afname van het foxy-aroma ook de resistentie af. Men heeft zelf middels genetische modificatie geprobeerd een resistente kwaliteits-wijndruif te ontwikkelen, maar deze pogingen faalden en het Duitse proefproject werd gestopt.

Het werd stilaan duidelijk dat minder foxy ook minder resistentie betekende. Sterker nog, recente onderzoeken wijzen in de richting van een rechtstreeks verband tussen Antranilzuur en/of Malvin, die Amerikaanse druiven wel en wijndruiven niet aanmaken, en weerstand tegen meeldauw en valse meeldauw. De nieuwe hybriden zijn dan ook niet ‘resistent’ maar hebben hooguit een ‘verhoogde weerstand’.

Helaas blijft de kwaliteit van deze druiven te laag voor kwaliteitswijn. De EU heeft dan ook bepaald dat deze hybriden, of interspecifieke rassen zoals ze in de Europese wetteksten worden genoemd, enkel voor landwijn gebruikt mogen worden maar niet voor kwaliteitswijnen die een wettelijk beschermde herkomstbenaming, zeg maar AOC, dragen. Dit is het officiële Europese standpunt.

Winst en verlies

Toch vinden we hybriden zoals Regent, Solaris of Sirius in onze Hagelandse en Heuvellandse wijnen. Hoe kan dat dan?

Hiervoor moeten we iets dieper ingaan op de wetgeving betreffende het erkennen van gewassen. Een nieuw gewas erkennen is een nationale bevoegdheid, en landen kunnen elkaars erkenningen overnemen. Dus wanneer bijvoorbeeld Duitsland een nieuwe druif als wijndruif (Vitis vinifera) erkent, mag een ander land, bijvoorbeeld België, deze erkenning overnemen.

En dat is nu precies wat er gebeurt. Duitsland registreert nieuwe hybriden als Vitis vinifera, waarna België deze erkenning overneemt en de druiven in kwaliteitswijn toelaat. Frankrijk bijvoorbeeld, dat beter dan welk ander land weet dat er met hybriden geen eer te behalen valt, volgt het Europese standpunt en laat in hun kwaliteitswijnen geen enkele hybride toe.

Nu hebben de nieuwste generatie hybriden inderdaad een betere kwaliteit, maar men moet ze op dezelfde manier spuiten zoals de klassieke variëteiten. Inmiddels passen ook de schimmels zich aan en zijn er bijvoorbeeld nieuwe stammen van valse meeldauw waartegen ook de sterkste hybriden niet bestand zijn. Een lagere wijnkwaliteit en toch spuiten.

Waar zit dan de winst? Het lijkt er op dat de winst enkel nog de patentrechten van de ontwikkelaar zijn. Deze nieuwe interspecifieke rassen zijn immers niet vrij van kwekersrechten en mogen enkel door sommige kwekers worden vermeerderd, tegen betaling uiteraard. De instituten die deze stokken ontwikkelen laten immers wereldwijd hun patentrecht beschermen om hun financiële belangen veilig te stellen. Het Zwitserse patentbureau waar deze intellectuele eigendommen worden geregistreerd, kijkt niet naar de stamboom en ook niet naar de wijnkwaliteit. Een als Vitis vinifera aangeboden druif wordt door hun ook als dusdanig geregistreerd.

Het is dus voor België, op basis van wederzijdse erkenning van gewassen, juridisch mogelijk om hybriden toe te laten in kwaliteitswijn, hoewel het in strijd is met de Europese regelgeving. Het staat elk land vrij om te zeggen ‘het is een Vitis vinifera’ of ‘die druif komt niet in onze kwaliteitswijn’.

Historische fouten gemaakt…

Onze Belgische wijnbouw, ontstaan vanuit een groep hobbyisten, heeft de historische fout gemaakt om in een aantal gebieden hybriden voor kwaliteitswijn toe te laten. Daarmee heeft een beschermde oorsprongsbenaming zoals Hageland of Heuvelland, want in de Haspengouw zijn geen hybriden toegelaten, een lagere kwaliteitswaarborg dan deze van buitenlandse wijngebieden.

Commercieel wordt het er voor de consument dus enkel moeilijker door en voor de wijnbouwer minder waardevol om deze herkomstbenaming te dragen. Er zijn heel goede wijnen die als Vlaamse landwijn worden verkocht en hybridewijnen die het label ‘kwaliteitswijn’ dragen, en dat maakt het voor de consument natuurlijk wel heel moeilijk.

Men kan natuurlijk de druif op het etiket vermelden, maar ook daarop hebben de ontwikkelaars van hybriden een oplossing gevonden. Cabernet Cortis, Cabernet Cantor, Cabernet Dorsa, Cabernet Dorio, Acolon, allemaal nieuwe druiven, maar welke druiven zitten er in een Cabernet? Cabernet Cortis en Cantor zijn hybriden, maar Cabernet Dorsa, Dorio en Acolon zijn dat dan weer niet. Hoe kan een consument er nog wijs uit worden?

… en geen nieuwe fouten maken

Voor de ontwikkeling van onze wijnbouw is het belangrijk dat de consument, wanneer hij een wijn met een Belgisch ‘kwaliteitslabel’ koopt, zeker is dat wat er in de fles zit ook evenwaardig is aan wat er in andere Europese kwaliteitsgebieden wordt geproduceerd.  Daarom moet het beleid, dat nu nog hybriden in kwaliteitswijn toelaat, worden bijgesteld.

Nog veel erger dan de fouten uit het verleden is dat in de voorlichting van nieuwe wijnbouwers deze hybrideproblematiek volledig wordt buiten beschouwing gelaten.

Zelfs mensen die heel goed weten dat ik gelijk heb, zwijgen of steunen mij enkel ‘onder vier ogen’, omdat zij weten dat zij anders uit de gratie zijn. Want zelfs op officiële voorlichtingsdagen voor wijnbouwers worden de hybriden verdedigd met onvolledige en onjuiste informatie. “De moderne hybriden zit amper nog een paar procent Amerikaanse druif in. Die kun je eigenlijk geen hybriden meer noemen” als argument voor Regent (33% Amerikaans) en dergelijke gebruiken is gewoon liegen.

Erger nog, mensen zoals ik die dit proberen onder de aandacht te brengen wordt de mond gesnoerd. Dit is een zeer gevaarlijke zaak. Het risico dat nieuwe wijnbouwers zich door een vermeend gemak bij de gewasbescherming laten verleiden tot het aanplanten van hybriden is erg groot.

Banvloek over hybriden?

Moeten we hybriden dan maar vergeten? Nee, natuurlijk niet.

Hybriden hebben ontegensprekelijk voordelen bij de teelt. De nieuwste generatie hybriden moet men doorgaans twee keer minder spuiten hetgeen minder werk en een lagere kostprijs betekend en ook de biologische teelt wordt er een stuk gemakkelijker door. Tenzij men door de nieuwste stammen wordt getroffen waardoor hybriden even sterk worden aangetast.

Er is, ook wettelijk, geen enkel bezwaar tegen het gebruiken van hybriden, maar dan enkel in Vlaamse landwijn. Ook zijn er hybridedruiven zoals de Rondo die beter tegen koude bestand zijn maar die niet met een Amerikaanse maar een Aziatische druif gekruist zijn. Aziatische druiven hebben geen foxy aroma maar zijn ook niet resistent tegen de van oorsprong Amerikaanse schimmels.

Deze hybriden zouden eventueel wel voor kwaliteitswijn kunnen worden toegelaten maar geven buiten veel kleur weinig positiefs aan de wijn. De hoop is echter vooral gevestigd op de wetenschap. Hopelijk zal deze in de toekomst een oplossing kunnen bieden waardoor we resistente druiven krijgen die niet enkel ‘aanvaardbaar’ zijn, maar die de kwaliteit van een Pinot Noir of Chardonnay kunnen evenaren. Maar alle pogingen, de PiWi’s (pilzwiderstandsfähige Sorten) zoals men de nieuwe generatie hybriden graag noemt, zijn dit helaas nog niet.  

Een sprekend voorbeeld is het project aan de University of California Davis in de strijd tegen Pierce disease, een voor de stok meestal dodelijke ziekte die vooralsnog enkel in het westen van de Verenigde Staten voor komt.

Men begon wijndruiven (Vitis vinifera) te kruisen met een Amerikaanse resistente wilde druif, de Vitis Arizonica. De zo verkregen hybride was weliswaar bestand tegen de ziekte, maar de wijn ervan was niet te drinken. Bijna 10 jaar later en enkele generaties verder was het aandeel Amerikaanse druif in de stamboom tot 12.5% gedaald, maar geen enkele van deze hybriden werd voor de wijnproductie toegelaten omdat  het verdict van deskundigen nog steeds negatief was. De wijn had nog steeds het typische ‘foxy’-aroma van de Amerikaanse Vitis.

De onderzoeken gingen verder, waarbij bleek dat de hybriden voor minstens 97% uit Vitis Vinifera moeten bestaan om een ‘aanvaardbare’ wijn er van te kunnen maken. Let wel: aanvaardbare, niet goede wijn.

In bijna alle Belgische BOB-gebieden, zeg maar AOC’s, worden hybriden toegelaten die soms tot 25% (Johanniter) en 37% (Regent) Amerikaanse voorouders hebben, hetgeen volledig in strijd is met de EU-regels. Het resultaat zijn wijnen die absoluut niet aan de kwaliteit voor een beschermde oorsprongsbenaming voldoen.

Hiermee wordt de kwaliteitsgarantie die een BOB zou moeten geven volledig teniet gedaan en heeft de herkomstbenaming Hagelandse wijn bijvoorbeeld een slechte naam. Men moet de wijnmaker al kennen of weten van welke druif de wijn is gemaakt, om te weten of hij wel aan de verwachtingen zal kunnen voldoen. Nu zal elke ware wijnliefhebber zijn druiven wel kennen, maar wat met de doorsnee consument? Die zal na een tegenvallende fles vaak zeggen: “Belgische wijn? Nee dank u.”

Druivenlijst is dringend

Er zullen weer heel wat mensen zijn dit mijn standpunt als een onterechte kritiek beschouwen en die als argument aanvoeren dat ‘hun’ Regent wel kwaliteitsvol is.

Dan verwijs ik naar het grote onderzoek dat de EU heeft gedaan naar het eventueel voor de productie van kwaliteitswijn toelaten van sommige interspecifieke rassen (hybriden), waarbij met name ook de Regent, de in België meest aangeplante hybride, werd onderzocht.

In het ‘verslag van de commissie aan het Europees parlement en de raad’ (COM/2003/0838 def.) valt in de conclusie te lezen dat de meeste interspecifieke rassen niet geschikt zijn voor de productie van v.q.p.r.d. en dat het bovendien zeer waarschijnlijk is dat, wanneer een dergelijke toelating wordt gegeven, de huidige interspecifieke rassen ook in de toekomst geen prominente plaats zullen innemen bij de productie van v.q.p.r.d.

De suggestie luid dan ook: “Op grond van bovenstaande analyse stelt de Commissie voorlopig de volgende aanpak voor: Het verbod op het gebruik van interspecifieke rassen voor de productie van v.q.p.r.d. voorlopig handhaven.” Het is niet dat ik deze hybriden niet goed genoeg zou vinden, ze zijn gewoon niet goed genoeg. België is nu eenmaal te duur om slechte wijn te maken. Een dergelijke wijn is immers zoals Hubrecht Duijker zegt “per definitie te duur”.

Het toelaten van dergelijke minderwaardige druiven is op zichzelf al een verkeerde beslissing geweest, maar bovendien staat het de ontwikkeling van mooie assemblage-wijnen in de weg. Wijnen zoals deze uit Bordeaux zijn een succes doordat men kan assembleren en de druiven niet eens hoeft te vermelden, terwijl de consument weet welke kwaliteit hij kan verwachten.

Voor de ontwikkeling van onze wijnbouw is het belangrijk dat de historische fout in de wetgeving om hybriden toe te laten, wordt hersteld. Met name voor kleine wijnmakers, die met hun naam moeilijk bij het grote publiek bekend geraken is dit belangrijk.

Het mooiste voorbeeld hiervan is Champagne. Er zijn talloze champagnes op de markt waarbij van alle vermeldingen op het etiket enkel ‘Champagne’ voor de klant iets zegt, en die alleen al door hun herkomstbenaming een goede prijs kunnen maken. Zo moeten aanduidingen als Hagelandse of Heuvellandse wijn ook als kwaliteitswaarborg kunnen gaan dienen.      

Europa wil ingrijpen

Volgens welingelichte bronnen onderzoekt de EU momenteel de mogelijkheden om te gaan ingrijpen. Lidstaten die hybriden voor kwaliteitswijn toelaten, zouden verplicht worden om deze te schrappen en men overweegt zelfs het volledige verbod op het gebruik van deze druiven voor alle wijn.

Maar deze beslissing is er natuurlijk nog niet. Wel staat inmiddels vast dat de PiWi’s hun weerstand tegen schimmelziektes verliezen. Bovendien zijn er nieuwe stammen van Valse meeldauw, de ergste van alle schimmelinfecties, ontstaan waarvoor zelfs de zwaarste hybride zoals Regent even vatbaar is als de kwaliteitsdruiven.

Zo is in België het vorige jaar ook de Phoenix, een tegen schimmels zeer resistente druif, zwaar door schimmelaantastingen getroffen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de PiWi’s in de Belgische wijngaarden meestal na enkele jaren al gewoon met de andere druiven worden mee gespoten. Dan is elk voordeel verdwenen en blijft enkel het nadeel van de mindere kwaliteit.

Het is dan ook te hopen dat snel de beslissing wordt genomen om de lijst met toegelaten druiven bij te stellen. Hoe eerder hoe beter. Wie nu immers nog hybriden plant loopt het risico ze binnen enkele jaren toch te moeten rooien.      

 

Geurt van Rennes

http://www.geurtvanrennes.com/